I’Artiste au travial 1 aug t/m 6 sep 2026
Eelco Deuling

Op zaterdag 1 augustus om 14 uur opent de expositie l’Artiste au travail van Eelco Deuling in galerie Drift. Deze tentoonstelling toont een impressie van zes jaar werk aan het Palais Mondial: een geheugenpaleis, waarin de beelden van een op hol geslagen mnemotechniek worden geordend in een systeem, door middel van classificatie, met behulp van de onbepaalde regels van de associatie.
Het getoonde werk bestaat vooral uit penseeltekeningen maar er zijn ook gedrukte en geprinte werken te zien (en zelfs enige ‘monumentale’ objecten, waarvan er één een flesje bier is).











Openingstoespraak
Vertrouw niet wat je ziet
Leonardo da Vinci raadde kunstenaars zonder inspiratie aan om naar oude, verweerde muren te kijken, om in de vlekken en krassen veldslagen en monsters te ontdekken.
Leon Battista Alberti meende dat ons vermogen om patronen te ontdekken in de chaos van toevalligheden de basis was van het kunstenaarschap.
We noemen dit verschijnsel ‘pareidolie’, van het Griekse ‘Para’ – naast, en ‘Eidolon’ – wat beeld betekent.
Het verschijnsel schijnt nut te hebben omdat het ons in staat stelt snel gevaren te ontdekken en daar naar te handelen.
Het geritsel in het struikgewas zou dan, na een snelle blik, het gezicht van een tijger kunnen onthullen zodat we direct beginnen met rennen.
Zelf zag ik ooit een tijger in de krantenbak van mijn ouders. In plaats van weg te rennen bestudeerde ik de foto wat beter.
Ik bleek de krant op zijn kop te bekijken.
In de 18e eeuw begon de schilder Alexander Cozens landschappen samen te stellen met afdrukken van met met inkt besmeurde papierproppen.
In de 19e eeuw deed Victor Hugo hetzelfde, alleen gebruikte hij niet alleen inkt maar ook koffie en zelfs zijn eigen bloed.
Soms vouwde hij de besmeurde vellen zodat de inktvlekken een afdruk achterlieten op elkaar, de zogenaamde ‘pliages’: de symmetrie versterkte de betekenissen die in het resultaat konden worden gezien.
Deze tekeningen hadden voor de kunstenaar een betekenis die het wereldlijke overstegen: ze werden soms als boodschappen van een andere wereld – van ‘gene zijde’ gezien.
In Duitsland maakte de arts, dichter en mysticus Justianus Kerner talloze ‘Klechsographien’. Door minimale veranderingen in het resultaat onthulde hij het bestaan van wandelende lijken en duivels.
Uiteindelijk werd het een tijdverdrijf onder middelbare scholieren.
Eén van deze scholieren, ’Klex’ – dus: ‘inktvlek’ – genoemd, was een jonge psychiater die meende dat het beschouwen van dit soort inktvlekken iets over de geest kon vertellen van de psychotische patiënten die hij onder zijn hoede had.
De testkaarten van Hermann Rorschach worden nog elke vijf jaar herdrukt.
Het formaat en zelfs de formulering van de inkt die hiervoor wordt gebruikt liggen sinds 1921 vast. Ze worden nog steeds op dezelfde drukpers gemaakt als toen, met dezelfde luchtvochtigheid en dezelfde temperaturen.
De test werd ondermeer gebruikt tijdens het Neurenberg tribunaal, in de hoop iets te kunnen begrijpen van de psyche van de ergste oorlogsmisdadigers: volgens de resultaten die ik heb kunnen achterhalen waren ze volkomen normaal.
Toch is deze test een symbool geworden voor het onderzoek naar het kwaad, dat door het zoeklicht van de wetenschap zou kunnen worden blootgelegd.
De tijger uit mijn jeugd kwam ik rond mijn 20e opnieuw tegen in het gedicht van William Blake, waarin hij zich afvraagt welke trotse God de angstaanjagende symmetrie van diens tekening kon hebben geschapen.
Het gedicht kent een spiegelbeeld in het gedicht over ‘Het lam’: het beoogde slachtoffer van de tijger, in de ‘Liederen van onschuld’.
Samen vormen beide gedichten een literaire Rorschach test.
Het zien van een ‘naast–beeld’, een pareidolie dus, zou ons er toe aan moeten zetten om te vluchten voor een mogelijk dreigend gevaar.
Als dat zo is dan faal ik jammerlijk: als een konijn dat gebiologeerd in het licht van de koplampen van een aanstormende auto staar probeer ik de informatie van wat ik zie in overeenstemming te brengen met datgene wat ik weet – of denk te weten.
In 2007 zag ik hoe de nachtelijke hemel boven Rotterdam verlicht werd door schijnwerpers, die – zo hoorde ik later – de brandgrens markeerden van het bombardement in 1940.
Ik zag echter een spiegelbeeld van de zoeklichten van de ‘Lichtdom’ rond het Zeppelinveld in Neurenberg en vroeg me af of ik als enige deze moderne incarnatie van slechte smaak vond getuigen.
Het kwaad kan zelfs een gezicht tonen in de rook van een brandende wolkenkrabber, zodra we menen dat diens aanwezigheid vereist is om een dergelijke gebeurtenis te duiden. Ik zag inderdaad het gezicht van de duivel, zelfs al geloof ik niet in zijn bestaan.
In 1922 stierf Hermann Rorschach, minder dan een jaar nadat voor het eerst de tien kaarten van zijn test werden gepubliceerd.
Hij was zelf sceptisch over conclusies die getrokken werden over de persoonlijkheid van het subject met zijn test.
De kaarten tonen wellicht de manier waarop een geest werkt.
Mijn geest, waar het mijn werk betreft, zolang ik de toeschouwer ben.
Het is een spiegelbeeld, soms angstaanjagend: een ontbrekende helft van een Rorschach test waarbij de toeschouwer én het werk een afdruk op elkaar zullen achterlaten (tenminste: dat hoop ik).
Elk werk afzonderlijk roept nieuwe verbintenissen op en vormt zo een fragment van wat ik zelf het ‘Wereldpaleis’ noem: een wankel bouwsel wat alle kennis van de wereld dient te omvatten, mits je gelooft in wat je ziet.
Maar dat doe ik dus niet. Ik raad ook iedereen aan niet te geloven in wat je ziet. Blijf echter aandachtig kijken.


